07-08-31 slot


uit de aantekeningen van Huub
oktober 1999 – november 2000
uitgetiept en geordend door Alma


Verbazingwekkend in feite dat ik zo weinig weet van familie. Mensen, namen, ze schenen er niet toe te doen. Er werd thuis nooit over gesproken.

Decennialang zijn feiten voor mij verborgen gebleven. Onbewust of bewust door familie onder de tafel gehouden. Tot op dat familiefeestje een tante argeloos een opmerking maakte die mijn aandacht trok...

Toen de verbijstering was weggeëbd, kwam de nieuwsgierigheid. Verdomme, opa, waarom? Ik snuffelde in archieven, kranten en ondervroeg familieleden en omstanders.

De speurtocht bracht niet alle details van een wonderlijke geschiedenis aan het licht. Feiten, herinneringen zijn in het stof van jaren voor een gedeelte vergaan. Dossiers bleken lang niet zo compleet als je mag verwachten in een geordende natie.
De queeste verschafte evenwel inzicht. Niet alleen in het chaotisch verleden van een simpele huisschilder. Ook in de warrige geschiedenis van mijn eigen bestaan vielen puzzelstukjes op hun plaats. Drie generaties werden gaandeweg in kaart gebracht; een voorgeschiedenis die bepalend was voor wat ik ben geworden. Een geschiedenis die begon bij mijn grootouders en in feite eindigde op de dag dat ik het licht zag. Al wat erna kwam is te beschouwen als een logisch, onvermijdelijk gevolg. Zoals mijn geschiedenis en die van mijn moeder bepalend is voor het leven van mijn kinderen.

Is het te hoogdravend om vast te stellen dat de keuze, op een enkel moment door iemand gemaakt, verstrekkende gevolgen heeft voor hemzelf en degenen die na hem komen? De brug die ik sloeg naar het verleden, heeft in elk geval mijn positie in het heden nauwkeuriger in beeld gebracht.
Niet dat ik een excuus zocht voor gemaakte fouten. Zeker niet. Dit boek werd niet geschreven door een slachtoffer van wat dan ook. Mijn verhaal beoogt een breder perspectief te bieden. Het 'dit mag nooit meer gebeuren' wordt 'hoe valt het te voorkomen?' Immers, in weerwil van de gemaakte afspraak, gebeurt het nog steeds: in Kosovo, Nigeria, Tsjetsjenië, Indonesië en met een beetje kwade wil straks ook in de Voerstreek. Onder tal van al dan niet gemanipuleerde omstandigheden treden duistere zijden van de mens op de voorgrond. Het loont de moeite die omstandigheden onder ogen te zien.

Confrontatie met de kwalijke kanten van het leven, zoals het voorbij ging, levert mogelijk de humus op voor iets nieuws: een andere mentaliteit. Eén die wel ruimte laat voor afwijkende opvattingen of keuzen. Eén die ons een betere mogelijkheid biedt om te kiezen. Mogelijk ook voor mijzelf.


Ik groeide er de eerste zes jaar van mijn leven op als jongste telg in het gezin dat tot mijn komst in juli 1946 vier kinderen telde: drie dochters en een zoon. Mijn naam ontleen ik aan een vijfde kind. Tijdens een laatste granaataanval op 26 september 1944 schoten vanuit het aanpalende Reichswald de Duitsers op een verzamelplaats van Engelse en Amerikaanse voertuigen aan de overkant van de Nijmeegsebaan. Een minder nauwkeurig schot legde een gedeelte van het huis in puin, verwondde de op een na oudste dochter ernstig en doodde de toen veertien jaar oude Huub.
De consternatie moet groot zijn geweest, zeker daar waar opa een week eerder van zijn huis was opgehaald en gevankelijk was weggevoerd.
Ik had daarvan aanvankelijk allemaal geen weet. Tot mijn zesde jaar leefde ik blij en gelukkig in de warme kring van pa en ma, broer en zussen.

De Landstichting. Ik vliegerde er op de hei aan de overkant van de straat, speelde met buurtgenootjes in het struikgewas langs de hockeyvelden of keek vanaf de bovenste tak van Mijn Boom in mijn eentje uit over de weg waar zich spaarzaam verkeer richting Nijmegen of Groesbeek spoedde. Ik herinner me het geruis dat me elke ochtend wekte en afkomstig was van de oliebrander waarmee de bakker in de bakkerij die aan ons huis vastzat zijn oven verhitte en de geur van warm brood die na een uur langzaam het hele huis vulde.

Een meisje uit de buurt was mijn grote liefde. We waren onafscheidelijk. Speelden in een boshut; soms hield ze me gezelschap in De Boom. Ik herinner me de ruzie waarbij ik uit pure drift een steen in haar richting gooide. De kei veroorzaakte een gat in haar hoofd. Volkomen overstuur liepen we beiden naar mijn huis. Ik moest voor straf naar de wc en weigerde die een halfuur later te verlaten om haar een verzoenende kus te geven op haar met een grote pleister getooide hoofd. Ik heb haar later nog wel eens ontmoet tijdens een vakantie. Ik was op een leeftijd dat het andere geslacht een meer betekenisvolle rol ging spelen. En had dus geen tekst toen ze me aansprak. Er zijn van die momenten waarvan je als man een heel lang leven spijt hebt.


In 1952 kwam er eind aan een ongecompliceerd bestaan. Marie, mijn oudste zus, trouwde met Andries, een man die ik kende van zijn frequente huisbezoeken. Ik mocht af en toe wel eens mee, als ze gingen wandelen in het Marienbosch of naar de Leemkuil, een speeltuin nabij Hengstdal. Mijn verwarring was groot toen ik als zesjarige gedwongen werd met Marie mee te verhuizen naar een etagewoning in Nijmegen. Ook van het feit dat ik haar plots 'mama' moest noemen en haar man 'papa', begreep ik niets. De overige zussen en broer diende ik ineens aan te spreken als oom en tante. En papa en mama werden ineens opa en oma. En ik kreeg een nieuwe naam en werd gedwongen die te dragen. Hoe chaotischer kan het worden voor een kind van amper zes?

Niettemin bleef mijn opa gedurende die jaren een speciale betekenis voor me houden. Het was duidelijk dat ik die voor hem ook had. Ik was de plaatsvervanger van kleine Huub. Talloze keren ben ik van huis weggelopen, terug naar de Landstichting. Moest dat bezuren met straf, dat wist ik, maar dat had ik er voor over. Later, toen mijn moeder de ‘verhuisziekte’ kreeg, we van de ene plaats naar de andere trokken en mijn stiefvader van haar steeds hogerop moest solliciteren, werd de afstand te groot om weg te lopen. Maar jarenlang verbleef ik vrijwel alle vakanties op de Nijmeegsebaan. Ik maakte me dienstbaar met het sorteren van lege flessen in de schuur; het wegbrengen van boodschappen naar rijke klanten van oma en het inschenken van een borreltje voor opa na diens middagdutje.

Op latere leeftijd had opa trombose gekregen aan een been. Het beperkte fors zijn bewegingsvrijheid. Voor die tijd liep hij regelmatig naar zijn stamcafé voor een kaartspelletje. Opa was een fanatiek rikker die de naam had, precies te weten, welke kaarten iemand in zijn vingers had. Soms zelfs, zeiden sommigen, voor er gedeeld was. Mijn moeder heeft ontegenzeggelijk die eigenschap van hem geërfd. Net als ik is ze voor kaartspel, in ons geval bridge, op elk moment uit bed te krijgen.

Ik werd door oma regelmatig eropuit gestuurd om opa uit de kroeg te halen voor het eten. Geen gemakkelijke, maar evenmin een onplezierige missie. Opa, uit op tijdwinst, schoof blijmoedig met chocola en limonade. Reden waarom we beiden fel op onze kop kregen als we weer veel te laat aan tafel aanschoven. De blik van verstandhouding die hij me gebogen over zijn bord toebedeelde, verwarmde me tot diep in mijn botten.

Later, toen de trombose zich verder uitbreidde en ook de velletjes van gekookte eieren die opa uitspreidde over de gapende wonden, niet meer hielpen, werd het been geamputeerd. Opa werd daarmee veroordeeld tot een somber bestaan achter het raam en zag uit op wie er wel nog dagelijks bij het café naar binnen gingen om er te rikken. Of hij toen nog veel vrienden had, betwijfel ik. Ik herinner me geen ander bezoek aan de Nijmeegsebaan dan dat van familie uit West-Brabant en Tilburg. Hun komst was immer aanleiding tot zeker feestgedruis met veel lekker eten en drank. Daarbij liet opa het nooit na mij erbij te betrekken. "Goej roggebrood, he jong'', zei hij altijd als we samen smulden van een bijzonder lekker feestmaal dat oma ons voorschotelde. Meer uitdrukkingen van hem zijn me altijd bijgebleven. Suiker noemde hij Dinteloords Spek of Korrelham; verwijzingen naar zijn achtergrond.

Thuis was het onveilig. Ik herinner me de 'vergissingen' en de hardhandige correcties. Innerlijk protest en angst uitten zich in wat psychologen aanduiden als regressief gedrag. Tot mijn twaalfde bevuilde ik 's nachts mijn bed. Het nagelbijten ben ik tot op de dag van vandaag nog niet volledig afgeleerd. Ik herinner me mijn kinderjaren als één langgerekte, nooit aflatende poging het mijn moeder naar de zin te maken. Maar hoe ik ook mijn best deed, ik kon in haar ogen niet deugen. Naar het waarom kon ik slechts raden.
Wel zag ik hoe anders zij omging met het zusje en broertje die daarna geboren werden. Het moest dus wel aan mij liggen.


Pas heel veel later ontdekte ik de achtergrond van de bizarre ontwikkelingen. Marie bleek vlak na de bevrijding in Tilburg te hebben gewerkt en was zwanger geraakt van een onbekende soldaat. Engelsman, Amerikaan, Canadees of Nederlander? Was het een soldaat? Ze heeft het nooit willen vertellen. Het was een kortstondige relatie geweest, dat was het enige wat ze losliet. Vragen beantwoordde ze immer met hysterische buien. Ze had dat boek niet alleen gesloten en ver weg opgeborgen. Ze had ook de sleutel van de donkere kast weggegooid. Ik groeide op in het besef in haar ogen een verachtelijk mens te zijn. Later begreep ik dat ik het verachtelijk symbool was van een jeugdzonde. Het maakte me een onevenwichtig mens. Ik miste een deel van mijn wortels. Waaide dus bij de minste of geringste tegenslag tegen de vlakte.

Ik heb veel energie gestoken in het achterhalen van de identiteit van mijn vader. Dacht dat daar de sleutel lag van mijn door mijn moeder achteloos weggegooide oorsprong. Tevergeefs, zo bleek. Ondanks doorwrochte naspeuringen en talloze publicaties over mijn zoektocht en die van lotgenoten, is mijn vader onbekend gebleven. Ik heb erin leren berusten.

Pas na vele decennia van vallen, opstaan en pogingen om aan alle ellende definitief een einde te maken, slaagde ik erin het roer om te zetten. Ook al was ik dan wellicht mentaal gehandicapt: het geluk behoorde ook mij toe en ik zou ervoor gaan knokken.

En net toen ik had geleerd, waar het geluk woonde, mocht ik er niet meer langs.
Ik heb daar vrede mee. Ik heb het tenslotte gevonden.