07-08-30 huub


Marie heeft het precies zo gedaan als ze had bedacht.

‘s Maandags is ze direct naar haar superieur gestapt en heeft gezegd dat ze thuis nodig was tot na de zomer. Ze heeft met hem kunnen regelen dat ze daarna terug kon komen. Niemand vond het vreemd, haar verzoek. Ze wisten van haar gewonde zusje, van het verwoeste huis. Dat haar vader in een strafkamp zat, had ze niemand verteld.

Daarna is ze naar de villa aan de Tilburgseweg gegaan. Dat vond ze heel moeilijk, daar zag ze huizenhoog tegenop. Maar de zusters waren vol begrip. Ze zou daar kunnen bevallen en als ze wilde kon ze het daarna afstaan. Maar de zusters vonden het te vroeg om het daar al over te hebben. Laten we eerst wachten tot je een eind verder bent, werd gezegd. Misschien ga je er anders over denken en ook dan kunnen we je bijstaan.

Marie heeft haar moeder getelegrafeerd dat ze naar huis kwam, dat ze dat besloten had. Ze heeft haar kleren en de paar snuisterijen die ze in Tilburg bezat ingepakt en is op weg gegaan naar huis.

Anna ontving het telegram. Ze stond ermee in haar handen. Ze legde het weg, pakte het weer op. Maria, Marie – ze vergat steeds dat ze nu Marie genoemd wilde worden - kwam naar huis, stond er. “Ik heb besloten naar huis te komen – Marie”. Anna begreep dat haar dochter in moeilijkheden was. Ze begreep het direct. Er was wat gebeurd. Maria, het zelfstandige kind, het kind dat haar eigen weg ging. Maria die vol enthousiaste verhalen zat over haar betrekking en de prachtige mogelijkheden die ze in Tilburg kreeg. Maria die er zo fier op was dat ze op eigen benen stond. Ze was twee zondagen niet naar huis gekomen. “Ik heb besloten naar huis te komen.”

Anna besloot af te wachten. Niets te vragen. Niets te zeggen. Goed te kijken. Eerst het vertrouwen te herstellen. Ze was blij met het vooruitzicht haar kind weer bij zich te hebben. En ze kon wel wat hulp gebruiken, dat was waar.

Marie is thuisgekomen. Anna vroeg niets, zei niets, lette goed op. Marie was stiller geworden. Ze had haar oude kamer teruggekregen, stond ’s ochtends lang voor de anderen op en ging ’s avonds al vroeg naar boven. Net als vroeger zag haar moeder ’s avonds het vertrouwde spleetje licht onder Marie’s deur doorkieren. Maar Anna klopte niet aan, ging niet naar binnen. Ze moest eerst weten of haar vermoeden juist was.

Haar vermoeden was juist. Op een ochtend trof ze Marie in alle vroegte in al haar ellende aan op de badkamer. Anna stond in de deuropening naar haar te kijken, met haar armen over elkaar en tranen in haar ogen. Marie keek op, keek haar moeder in het gezicht en schrok. Moeder wist het.

Ze zijn aan de keukentafel gaan zitten. Marie heeft niet veel gezegd. Anna keek verdrietig naar haar oudste dochter, haar koppige eenzame kind, en voelde zich schuldig. Om de moeilijke jaren die achter hen lagen, om alles wat er met haar gezin was gebeurd waardoor ze zich te weinig om dit kind had kunnen bekommeren. Om de afstandelijkheid die er tussen hen was gegroeid. Om de vader die nu al zo lang weg was. “Het komt wel goed, kind”, was het enige wat ze zei. En “hoever ben je?” Dan zou het in de zomer komen, rekende ze hardop uit. “We hebben het er nog over.”

Ze heeft er diep over nagedacht. En toen tegen Marie gezegd wat ze had besloten en dat ze geen tegenspraak duldde, anders zou ze haar niet helpen. Marie kon niet thuisblijven. Vanwege de jongere meisjes niet, maar zeker vanwege de buurt en de klanten niet. "En je houdt er je mond over." Anna had geregeld dat ze tot de bevalling kon verblijven bij de zusters van Sint Anna, in het tehuis voor ongehuwde moeders. Daarna kon ze met het kind terug naar huis komen. Anna zou het zelf grootbrengen. Maar Marie zou weer moeten gaan werken en voor het geld zorgen. En als ze ooit een echtgenoot tegen het lijf zou lopen en zou trouwen - "alleen met iemand die het kind accepteert, Maria, anders gaat het feest niet door" - dan ging het kind met haar mee. “En vader?”, vroeg Marie met schrik in haar stem. “Vader vertellen we niets. Als het zover is dat hij thuis komt, is het vroeg genoeg. Laat vader maar aan mij over”, zei Anna en voelde dat ze een nieuw verbond had gesloten met haar dochter.


Zo is het gegaan. Huub is geboren in Sint Anna aan de Groesbeekseweg 329, op 14 juli 1946, en is met zijn moeder mee terug naar huis gekomen. Anna heeft zich meteen over hem ontfermd, Marie is na een paar weken weer gaan werken. Ze heeft naar haar kind niet veel omgekeken, de eerste jaren. Leidde haar eigen leven, ging naar haar werk, ging uit en hielp haar moeder in het gezin. Huub heeft nooit het vermoeden gehad, zei hij, dat zij zijn moeder was. Zo gedroeg ze zich niet. Anna was zijn moeder. Marie was Marie, zijn oudste zuster die altijd lekker rook en mooie jurken droeg, die ging dansen en bij de toneelgroep zat. Die hem leerde kaarten. Die hij weinig zag en nauwelijks kende.

Rinus kwam begin november 1946 eindelijk vrij. Bij thuiskomst was er een baby, een jongetje van vier maanden oud dat Anna de naam van hun gestorven zoon had gegeven. Een nieuwe Huub. Rinus heeft er volgens de tantes weinig woorden aan vuil gemaakt. Hij heeft het jongetje als een vader aanvaard en het in zijn hart gesloten.