07-08-29 maria




Ze loopt door de donkere winkelstraat, de kraag hoog opgetrokken, haar handen diep in haar zakken.

Het werd laat op het werk, er moesten veel facturen nog voor de vrije zondag verzonden worden. Sinds zij leiding geeft aan de afdeling, is ze ook degene die het kantoor afsluit. Nu is het te laat om nog de trein te nemen en naar huis te reizen. Moeder zal niet weten waar ze blijft, maar ze kan met haar niet telefoneren. Vorige week kon ze ook al niet gaan, er was een feest bij Herma waarvoor ze was uitgenodigd. Moeder had het goed gevonden. Ga maar een keer feesten, mijn kind, je hebt wel wat ontspanning en plezier verdiend. Je werkt er hard genoeg voor. Ik red me hier wel en Jan is ook thuis.
Maar Maria, die zich nu door haar vriendinnen en collega’s Marie laat noemen, was niet naar het feest gegaan. Ze voelde zich niet lekker en had vroeg haar bed opgezocht.

Nu loopt ze doelloos door de stad. Het wordt kouder, maar ze besteedt er geen aandacht aan. Ze heeft het gevoel dat ze moet blijven lopen tot ze een oplossing weet. Maar ze weet dat er geen oplossing is. Toch blijft ze lopen, zonder iets te zien of te horen. Een fietser zonder licht moet voor haar uitwijken als ze zonder op te letten ineens oversteekt. Ze voelt hem rakelings langs haar rijden, hij vloekt. Ze schrikt, maar het is een korte flauwe schrik die snel weer wegebt. Ze had hem niet gezien. Terwijl zij altijd zo oplettend is. Alles onder controle heeft. Ze weet, voelt, dat ze geen controle meer heeft en het laat haar koud.

Vlakbij haar pension, op het pleintje bij de Schijfstraat is een café nog open. Ze merkt hoe koud ze het heeft en dat haar benen stijf van moeheid zijn. Ze gaat naar binnen, neemt een tafeltje achterin. Het zware Perzisch kleed op tafel ligt scheef, ze trekt het recht. Met haar handen strijkt ze over de wol, de korte stoppels onder haar vingers geven haar een gevoel van heimwee. Heimwee naar door het bos lopen met de honden, naar lachen met haar zusjes, naar huis. Maar eerst moet ze over een oplossing nadenken, dan pas mag ze weer aan thuis denken. De kelner komt naast haar staan, vraagt of ze wat wil gebruiken. Ze bestelt thee, zegt dat ze op iemand wacht. Ze staart naar buiten of ze op iemand wacht. Aan de bar is rumoer, wordt luid gelachen. Ze hoort het uit de verte, het geluid lijkt langs haar af te glijden. Haar thee wordt gebracht. Ze steekt een cigaret op, laat een schepje suiker in het glas glijden, roert.

De onrust in haar blijft, ook nu ze tot rust komt en de hete thee drinkt. Haar tintelende handen vouwen zich om het glas. Want er is geen oplossing, weet ze nu. Elke keuze die ze zal maken is een keuze die ze niet wil maken. Dit is nieuw voor haar. Ze maakt altijd alleen maar keuzen die ze wil.


Maria kijkt altijd vooruit, nooit terug. Daarom is er ook geen spijt in haar, of boosheid. Ze waren uitgegaan met een hele groep en zij was met hem achtergebleven, de anderen gingen dansen. Hij had haar thuisgebracht en ze had hem niet kunnen weerstaan. Niet willen weerstaan ook. Wat restte was een gevoel van kalme stille verbazing. Dus zo ging het. Dat was het. Een korte stekende pijn, harde handen die naar haar grepen alsof ze verdronken, een diepe grom als van een dier. En daarna zwaar en warm vochtig hijgen in haar hals en handen die door haar haren en over haar gezicht gleden alsof ze wilden weten wie ze was. Zoals je vroeger als blindeman moest voelen wie je voor je had. Ze rook zijn scherpe geur. Haar benen waren plakkerig nat. Ik had ook iemand anders kunnen zijn, schoot door haar heen. Ik ben niemand. Ik ben iemand anders. Ze verstrakte van binnen. Ze had haar kleren rechtgetrokken, hem recht aangekeken. Hij keek haar niet aan. Ga nu maar, had ze gezegd en toen was hij weggegaan. Dus dat was het.

Zo hadden ze een paar keer zonder warmte samengelegen. Als twee vogels die na een koude dag hetzelfde nest vinden en er naast elkaar de nacht doorbrengen. Zijn handen bleven over haar gezicht glijden, naar haar klauwen waar ze konden. De grom als hij haar bezat werd luider. De pijn van de eerste keer verdween, elk gevoel verdween. Ze wachtte bewegingsloos en luisterde. Hij lag zwaar op haar, zijn adem leek op die van vader als hij in zijn stoel zat bij de haard en in diepe slaap was. Zij vroeg niets en hij zei niets. Ze zwegen. Als ze ’s ochtends wakker werd was hij al weg. Ze wist niet waarom hij er soms was, maar stond toe dat hij er was. Haar werk leek haar beter af te gaan, ze durfde voor het eerst voor anderen even streng te zijn als voor zichzelf. Het beviel haar. Ze vroegen haar de leiding te nemen en de meisjes namen haar gezag als vanzelfsprekend aan. Dat bevredigde haar. Het had met hem te maken en daarom liet ze hem toe. Ze was geen meisje meer. Zoals ze nu was, zo wilde ze zijn.

Na een paar weken bleef hij weg. Ze miste hem niet. Herma zei dat hij gezegd had dat hij terug zou komen. Maar hij had niet gezegd dat hij voor haar terug zou komen. Hij kwam niet terug. Weer drie weken later bleef haar maandstonde uit. Toen wist ze dat ze een oplossing moest vinden. Alleen. Dat niemand voor haar de keuze kon maken.

De kelner komt naast haar staan en vraagt of ze nog thee belieft terwijl ze wacht. Ja, doet u dat maar, heel graag. Ze beseft dat ze de keuze gaat maken. Ze steekt een nieuwe cigaret op, trekt de zware asbak naar zich toe. Ordent haar gedachten. Ze kan zich nog laten helpen. Het is nog niet te laat. Dan hoeft niemand het te weten. Ze weet waar ze moet zijn. Ze heeft het geld. Ze is niet bang. Ze is nooit bang. Ze kent de risico’s, ze schrikken haar niet af. Wat haar afschrikt is dat ze niet weet hoe ze dan verder moet leven. Ze zal haar verdere leven walgen van zichzelf. Ze zal haar moeder niet meer onder ogen kunnen komen. Ze zal haar vader opnieuw te schande maken. Zelfs als hij het nooit zal weten. Want hij zal het nooit weten, daar zal ze voor zorgen. Ze zal liegen tegen haar ouders en God en dat schrikt haar ten diepste af. Ze peilt zichzelf. Of dat blijvend zal zijn. Ze weet dat het blijvend zal zijn. Ze zal het altijd met zich meedragen. Zo wil ze niet zijn. Zo kan ze niet zijn.

Als ze zich niet laat helpen, zal ze haar werk verliezen als het zichtbaar wordt. Het zal een schande zijn. Ze weegt het in gedachten tegen elkaar af. Maar ze bedenkt dat ze kan voorkomen dat ze haar werk verliest, door nu zelf per direct op te zeggen, door op haar werk te zeggen dat ze thuis tijdelijk hard nodig is. Dan kan ze nu misschien regelen dat ze daarna in haar functie terug kan keren. Als het achter de rug is. Dan hoeft niemand het te weten.

Ze kan nu vragen of ze terug kan komen in haar functie als ze thuis niet meer nodig is. Het idee staat haar aan, daar had ze eerder niet aan gedacht.
Maar als ze nu haar werk opzegt, zal ze het pension niet meer kunnen bekostigen. Maar ze zal nu moeten opzeggen. Voordat het zichtbaar wordt. Ze vreest voor de misselijkheid, heeft de laatste dagen de misselijkheid al moeten onderdrukken. Ze zal dus terug naar huis moeten, als ze nu haar baan opzegt. Want zolang thuis wegblijven zal niet kunnen. En geld voor ander onderdak heeft ze niet.

Ze weegt alles wat ze nu bedacht heeft opnieuw af tegen een besluit zich te laten helpen. Tot haar opluchting voelt ze dat er oplossingen mogelijk zijn waaraan ze niet eerder heeft gedacht. Ze ziet definitief af van het besluit zich te laten helpen. Ze neemt een slok van haar thee. Staart naar buiten of ze op iemand wacht.

Ze zal naar huis gaan en zeggen dat ze terug is gekomen om moeder te helpen. Dat ze zich daar prettiger bij voelt dan op eigen benen in Tilburg. Dat Tilburg wel even kan en wil wachten. Moeder zal blij zijn met haar hulp, dat weet ze zeker. Vader zal nu vast gauw vrijkomen en ook hij heeft misschien hulp nodig voor zijn suiker. Greetje heeft nog veel hulp nodig. Ze zullen het druk hebben en niet naar haar omkijken en blij zijn met haar thuiskomst, haar aanwezigheid. Het zal misschien maanden duren voor het zichtbaar wordt, voor ze het moeder zal moeten vertellen. Haar gedachten stromen opeens als duiven die ver van huis eindelijk uit de korven mogen. Ze voelt nieuwe moed. Zo zal het gaan, zo is er een oplossing. Ze zal zich niet hoeven laten helpen.

Ze roert haar thee, neemt een slok. Haar gedachten gaan de kamer binnen die tot nog toe op slot was geweest. Het is er donker. Ze durft er het licht niet aan te doen. Wil er het licht niet aandoen. Ze weet van meisjes die het hebben afgestaan. Ze heeft gehoord van een tehuis voor meisjes zoals zij, De Bocht, aan de Tilburgseweg. Daar zullen ze haar kunnen helpen als het zover is. Ze besluit voor ze naar huis teruggaat, naar De Bocht te gaan om het te regelen. Want ze wil het niet. Het mag er niet zijn. Het is niet van haar, zij was niemand toen het gebeurde. Het is eigenlijk niet gebeurd. Nog niet gebeurd. Maar het is gebeurd. De zusters daar zullen haar helpen en ervoor zorgen.

Ze rekent af voor de thee, nee inderdaad, ja, jammer, dat hij niet gekomen is. Als hij nog komt, zeg maar dat ik naar huis ben gegaan. Ze stapt de koude avond in. Trekt haar kraag omhoog. Ze ziet haar adem als kleine wolken uit haar mond komen. Het is koud buiten, het vriest licht. Ze recht haar rug. Ze heeft een oplossing gevonden.