365

17 februari 2002


Ik ben na een moeilijk en heftig jaar dat ik als een soort brandend struikgewas heb ervaren waar ik levend doorheen moest zien te komen, op een koude verlaten vlakte terechtgekomen. Het is er niet goed. Ik mis het heftige verdriet, omdat dat echt was. Ik wantrouw de gelatenheid. Voor een deel komt die omdat niemand om me heen meer uit zichzelf over Huub praat of over mijn verdriet. Ik moet zelf over hem beginnen om over hem te mogen praten en durf dat nog maar bij een paar mensen. Ik zorg slecht voor mezelf. Krijg binnenkort onderzoeken in het ziekenhuis. Ik vloei al weken lang, maak me zorgen. Maar goed voor mezelf zorgen, ho maar. Ik leef in een andere wereld dan de anderen, zelfs mijn eigen kinderen. Ik wil hen dat niet vertellen, om hun onbevangenheid niet weg te nemen en omdat ik ook niet wil dat ze dat al moeten kunnen begrijpen. Het is hun wereld niet en ik wil niet dat het hun wereld is. Ik zal zelf die vlakte leefbaar moeten maken voor mezelf. Huub is weg, ik ben zijn vrouw nergens meer ook al draag ik tegen beter weten in nog zijn ring. In Nijmegen ben ik zijn weduwe, dat is wat ik over heb.

25 maart 2002

Morgen al de operatie, vandaag even nog naar Huub. Nu zit ik dit te tiepen terwijl ik allang in bed hoor te liggen. Ik ben niet bepaald klaar voor deze ingreep, dat is duidelijk. Onverstandig.

Morgen de operatie, in de stille week. Zo vreemd. Wat ik zo enorm nodig heb, is er niet, was er ook in Nijmegen niet en zal er niet meer zijn. Een arm om me heen. Huub had mij, ik moet het alleen doen. Het is niet anders.

Toch ben ik blij dat ik nog even naar Nijmegen ben gegaan. Er was een onwezenlijke ontmoeting met een meisje op de oprijlaan bij de begraafplaats dat me riep en wilde weten of er een klooster was bij de kerk. Ik dacht van niet, bood haar aan even mee te lopen en het op het kantoor, waar ik inmiddels de weg weet, te vragen. Maar ze besloot ineens dat ze niet verder wilde lopen en zei dat ook. Het was wonderlijk, maar ik had het gevoel dat ik haar begreep. Dat het voor haar ergens te vroeg voor was. Je tas staat open, zei ze. Ja, daar zit geen rits in, zei ik. Dag, zei ze. Dag, zei ik. We keken elkaar aan. En we liepen allebei met ons eigen verhaal door, zij terug en ik verder naar Huub. Ik had haar verhaal wel even willen horen, haar mijn verhaal willen vertellen. Ik had het gevoel dat zij dat ook wel had gewild. Ik vond haar aardig. Dat soort dingen gebeuren daar vaak.

In de trein terug zo diep geslapen dat de herinnering aan dit bezoek aan Huub daarna al bijna weer weg was.

Wat ik nog wel weet: ik heb hem liefgehad. Zo lief dat ik de pijn nog voel. Maar er gebeurt teveel aan me, ik ben te moe en kan niet goed bij mijn gevoel deze dagen. Dat maakt me verdrietig. Maar het gaat nu even om mijn eigen leven.
Ik voel me in de vrije val.

achtergronden
achtergronden
alma
alma
alma