362

1 augustus 2001


Een lome zomerdag. In Nijmegen was het snikheet. Morgen wordt het een echte hittegolf en daarna gaat het dagen regenen volgens kleuterjuffrouw Erwin Krol. Ik dacht vanochtend ineens dat ik me kan voorstellen dat voor vluchtelingen het graf van geliefden achterlaten heel moeilijk moet zijn. Ik heb Huub’s graf gewoon nog heel erg nodig. Het is een ankerplaats, een haven.

De begraafplaats was vanmiddag zwaar van de geuren. Bloemen, boslucht, zelfs al een vleugje herfst. Ik had totaal geen haast. Heb op mijn dooie akkertje (dat kun je in dit verband ook letterlijk nemen, zie ik) een beetje aangerommeld en bij het graf gezeten. Wat onkruid weggehaald. Het roodborstje maakte weer een hoop drukte in de rododendron. De lavendel en thijm leek wel een vliegveld, zo druk werd er geland en opgestegen. Bijen, hommels, vlinders.

Ik las in een boek met ‘kinderportretten door de eeuwen heen’ tot mijn verrassing dat men tot in de zeventiende eeuw kruiden meegaf aan de gestorvenen. Kransen rozemarijn op het hoofd. Slingers van kruiden en knoflook op de dode. Een takje in de hand. Dat was om de duivel weg te houden, die blijkbaar niet van sterke geuren houdt. De katholieken deden het, tot het door de protestanten als te heidens verboden werd (of was het andersom?). En hier zit ik dan vandaag, een ex-protestantse weduwe die in een impuls kruiden op het graf van haar geliefde heeft geplant. Ik vind het wel een mooi idee, een mooi verhaal. Geen duivel mag aan de zielenrust van mijn lief! Rust heeft hij verdiend. En genade en vrede.

Die stenen die ik bij elk bezoek op het randje graf leg, iets wat ik dacht ik zelf had verzonnen, bleek ook al een bestaand ritueel te zijn. Ik zag het op tv. Joden die een graf bezoeken laten er een steen achter, soms met een briefje eronder. Een blijvende groet.

achtergronden
alma
alma
alma
alma