361

4 juni 2001, 2e pinksterdag


Met tassen vol kruiden, tijm, lavendel, roosmarijn, valeriaan (om rustig van te worden) naar Nijmegen. Lekkere luchtjes en vlindertrekkers. Past wel bij Huub en zijn pastasauzen. En nog lobelia’s natuurlijk, die vindt hij mooi. En ook nog een boompje voor achter het graf.

Schepje mee. Zwaarbewolkt weer en niet erg warm. Niet bepaald ‘op een mooie pinksterdag’. In de bus naar de Heilig Landstichting zet ik de tas met de boom op een bank. Een takje kietelt precies een hele lelijke meneer in zijn nek. Ik moet erom lachen, hij ook. Als ik uitstap zegt hij: “Gaat het nog goed met uw oerwoud?”

Als ik de trap naar de begraafplaats op loop, passeer ik een mevrouw met een jongetje. “Zal ik even helpen dragen” vraagt ze. Ik zeg nog beleefd dat ik wel in evenwicht ben, maar ze pakt de rechtertas over. “Kom hier, ik kan het niet aanzien” zegt ze. De andere tas dragen we tussen ons in. Het jongetje is een jaar of acht en een beetje spastisch. Hij vertelt dat hij Levi heet en een jongetje in zijn klas is zomaar aan een hartstilstand overleden. Ik vraag hoe hij dat vond. “Zo gaan die dingen”, zegt hij en ik kan niet anders dan het beamen. Hij heeft intussen mijn vrije linkerhand gepakt en kletst maar door. Zo wandelen we naar Huub’s graf of we al jaren bij elkaar horen. Levi vindt alles mooi, Huub’s hoed, de steen, het potje. En hij wil wel helpen. Maar zijn moeder neemt hem mee. Ik begin achter het graf te graven, een diep gat voor ons boompje. Daar is Levi weer. “Ik moest eerst vragen of u liever alleen wilt zijn”, zegt hij. Nee hoor, kom maar lekker helpen. En daar gaat hij. Hij sjouwt emmers water, bemoeit zich met de plek voor de planten, zoekt mooie stenen voor aan de voet van het boompje en kletst maar door. We praten over van alles, de samenstelling van bosgrond, tuinonderhoud, de begrafenis van Johnny van die hartstilstand, rekenen, Huub. Ik vertel dat Huub en ik vorig jaar nog het randje van het graf samen hebben schoongekrabd met een mesje. “Heb jij dan geen hogedrukspuit”, vraagt Levi. Zijn moeder staat naar ons te kijken en heeft de grootste lol. Lief kind hoor. En ik vind het wel plezierig, zo’n onverwachte helper. Ik zet hem op de foto, als herinnering.

Na een uurtje gaan ze weg. Levi wil eigenlijk niet, vindt dat hij mij moet helpen tot het af is. Maar zijn moeder vindt het zo welletjes. Ik kijk ze na. Wonderlijk, dat je niets van elkaar weet, zo dicht bij elkaar bent even en dan weer uit elkaar gaat. Ik had wel even koffie met haar willen drinken en praten. Ze kwam voor een vriend van haar, jong gestorven. Norbert heet hij geloof ik en er zit een koperen salamandertje op zijn graf zegt Levi. Ga ik wel eens een keertje zoeken.

Ik ben al met al toch meer dan twee uur bezig. Vind het zelf mooi geworden. Alles ruikt naar kruiden. En het ziet er netjes uit. Ik was mijn handen, spoel de grafsteen en de rand schoon met de gieter, ruim de rommel op en maak nog wat foto’s. Mijn nagels krijg ik niet schoon, dat zijn nou wat je noemt echte rouwranden.
De bus terug laat lang op zich wachten. Ik ben rozig van de boslucht. Vind alles goed. Het stationsbord in Nijmegen geeft aan dat de trein via Den Bosch naar mijn woonplaats gaat, met als eindbestemming München Hbf. Daar zou ik inderdaad wel even heen willen. De hele terugweg in diepe slaap, ondanks de ijskoude trein. In Tilburg timmert een man met een bierblik keihard op mijn raam. Ik schrik me te pletter. "Ik dacht dat je er hier misschien uit moest", roept hij aangeschoten. Nee, maar evengoed bedankt.

Huub, jij wordt steeds meer verdund, zelfs het verdriet wordt onbereikbaar. Heel diep in me. Ik heb nog nooit iets meegemaakt dat zo slopend vermoeiend is. Ik mis je. Soms heb ik het gevoel dat ik helemaal geen gevoel meer heb. Waarom ben je verdomme doodgegaan.

achtergronden
alma
alma
alma