360

22 mei 2001 (3)


Camiel wil dan graag terug naar huis en vertrekt. Huub’s zus en ik nemen een terrastafel bij de Rozenhof. Ik een borrel, zij cola. Ze vertelt over vroeger, bij hen thuis. Schokkende verhalen die ik nog nooit heb gehoord. Ze is weer in tranen. Die moeder van haar heeft die kinderen zo enorm beschadigd. Hoe is zij toch zo geworden? Huub’s zus vertelt hoe Huub op zijn beurt heel moeilijk deed tegen haar, als kind. Ik luister stil naar haar verhaal, het verbaast me helemaal niet. Zo neemt het ene kind het andere mee in zijn eigen ellende, denk ik vooral. Slachtoffers maken slachtoffers. Het is een kil zwart verhaal, zo aan die terrastafel in de zon. Ik voel enorm verdriet om Huub en zijn zusje, om de kinderen die zij waren. Ben je nog kwaad op hem, vraag ik. Nee, zegt ze. Wel op mijn moeder. Om haar hardheid en de gevolgen die dat voor zoveel mensen en vooral haar eigen kinderen en ook voor haar man heeft gehad. En de onmacht van iedereen om er iets aan te veranderen. Omdat zij dat niet toestond. Die constante genadeloze kritiek op iedereen, die ze nog steeds heeft. Waar ook nu nog niemand iets meer aan kan doen of iets mee kan. Weet je, Alma, ik moet er gewoon zelf mee afrekenen, ik kan niet altijd naar mijn moeder blijven wijzen, zegt Huub’s zus. En ik kan niet altijd maar doorgaan met proberen haar goedkeuring te krijgen. Haar bevestiging. Die krijg ik toch niet, want dat kan ze niet. Dat heb ik de afgelopen weken geleerd van Huub, zegt ze. Toen hij haar wegstuurde, heb ik gedacht dat ik dat eigenlijk ook maar moest doen.

Ik denk dat ze gelijk heeft. Dit is waar ze het mee moet doen. Ik wens haar zo toe dat ze zelf gaat geloven dat ze gewoon deugt. Want daar gelooft ze geen pest meer van. Of nog steeds geen pest van. Haar moeder heeft ook haar er diep van doordrongen dat ze niet deugt. Toch vind ik dat ze het goed doet. Wat een tranen. We praten over slachtoffer zijn, over hoe zij dat patroon met haar kinderen heeft willen doorbreken. Ze weet eigenlijk heel goed wat ze wil. Ik wens haar toe dat het haar lukt om hier doorheen te komen.

En we eten heel lekker asperges met zalm in de avondzon. Zij met wijn, ik met water. Ik vraag daarna om koffie met een mooie cognac. Vertel meneer Rozenhof met zijn witte handschoenen dat het mijn trouwdag is en hij feliciteert me. Vertel dat mijn echtgenoot is overleden en hij vertelt dat zijn vrouw twaalf jaar geleden is overleden. Maar dat dat niets verandert aan het vieren van je trouwdag, want dat wil je van binnen blijven voelen. Hij kijkt me recht aan en ik herken het in zijn ogen. Ben blij dat ik open kaart speelde. En hij herkent wat ik voel, zie ik. Een klein verbond ineens.

We hebben het met z'n tweetjes nog over dingen die je nooit aan anderen vertelt. Over uit de band springen en volstrekt onverantwoordelijk zijn. Ik kan daar mooie staaltjes van vertellen. Ik heb haar nog nooit zo geweldig horen lachen. Zou ik soms ook wel willen, zegt ze. Maar dat durf ik toch niet.

Terug met de bus, samen door het raampje spieden naar de plaats waar volgens haar tante het winkeltje en huis van haar opa en oma heeft gestaan. Ze is een lijn naar Huub’s verlangens, zijn zusje. Ze heeft hem begrepen en is altijd bij hem gebleven. Komt goed.
Op het station krijg ik een prachtige bos bloemen van haar. Dank je, ik waardeer dit heel erg. Dan zwaai ik haar uit.

Er zitten luidruchtige soldaten in de trein die keihard zingen. Over Huzaren van Boreel of zo. Ik wil dit niet horen, dit eindeloze gezang over zuipen en neuken en koningin en vaderland. Ze zingen niet eens slecht, maar het is grof en bot en leidt me af. Wie heeft hen die liederen geleerd? En waarom? Wanneer en waar zingen ze dit? Waarom zingen ze het ook in de trein? Wat willen ze ons duidelijk maken? Ik wil de weilanden zien en het fluitekruid en het zachte strijklicht. Ze verpesten het. Ze verstoren mijn rust.

Thuis. Openhaard aan. Glas wijn. Morgen moet ik weer naar school. Ik heb je zo lief, Huub. Ik wil zo niet in mijn eentje verder schrijven aan mijn leven. Over jou en mij. Maar ik kan niet anders. Ik voel me zo alleen. Maar het was een schone dag. Jij zei dat vaak, net als die Zeeuwse boer in die documentaire. Het was een schone dag Huub. Ik mis je verschrikkelijk.

achtergronden
alma
alma